Weg kinderlijkheid

Er zijn werken in de straat. In slechts enkele dagen tijd ging het voetpad open en weer dicht. De overkant is binnenkort aan de beurt. Voor de nieuwe drinkwaterleiding wordt er gedrild, geslepen en gegraven. Een gigantische tractor met aanhangwagen dendert door onze straat, geen dagelijks tafereel in de stad.

Niet enkel de bewoners worden opgeschrikt, ook de dieren die verscholen leven in de verborgen plekjes groen. Plots loopt een koppel eenden op en neer door de straat, dwars door mijn voortuintje. ’s Avonds tuur ik door mijn slaapkamerraam, in de schemering zie ik een marter van bijna een meter lang. Door die dikke pluimstaart ziet hij er verraderlijk aaibaar uit. Hij steekt de straat over, de oprit van de overburen op, tot achter de magnolia.

‘Ooh een marter!’ roep ik enthousiast. De kinderen reageren niet. Ik roep hen bij hun naam, met het idee dat ik hun interesse kan opwekken. Tevergeefs. Ze komen wel, maar veel te traag. ‘Kijk daar is hij, ohnee hij is weg, nu hebben jullie hem gemist.’ Ik voel ergernis omdat ze geen moeite deden om wat sneller te komen.

‘Chill mama,’ zegt mijn jongste dochter. ‘ ‘t Is maar een marter, je bent precies een klein kind.’ Ik kijk haar met open mond aan. ‘Ja,… je staat daar te springen als een kleuter.’ De bijdehandse opmerking van mijn tiener slaat me uit het veld. Ik trek een wenkbrauw op en stamel ‘Ok…’ . Ze haalt haar schouders op en weg is ze.

Net op dat moment springt de marter vanachter de boom, over het voetpad, een zijstraatje in. ‘Ooh kijk, daar is hij weer!’ Ik besef dat ik inderdaad sta te springen en dat mijn zoon meer naar mij kijkt dan naar het wonderlijke dier buiten. Ik herpak me, blijf met mijn voeten stevig op de grond staan en schraap mijn keel eens. ‘Tof dier toch hé.’

Maar intussen sta ik alweer alleen in de kamer.

Plaats een reactie